Dutch English French Spanish

Berkel en Rodenrijs

Berkel en Rodenrijs ( uitspraak(info / uitleg)) is een plaats, heerlijkheid en voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Op 1 januari 2007 is de gemeente Berkel en Rodenrijs samengegaan met de gemeenten Bergschenhoek en Bleiswijk in de nieuwe gemeente Lansingerland. De plaats Berkel en Rodenrijs telt 28.712 inwoners (1 januari 2015).

Geschiedenis

Vervening en plassen

In Berkel en Rodenrijs begint de vervening ten noorden en ten zuiden van de dorpskern van Berkel. Op de kaart van Cruquius is te zien dat aan het begin van de achttiende eeuw het gebied ten noorden van de dorpskern van Berkel vrijwel geheel is ontveend. Deturf werd met scheepjes via de kanalen naar de steden getransporteerd. Door vervening en door afkalving werden de legakkers steeds kleiner. Petgaten groeiden aaneen tot grote veenplassen. Rond 1750 kwamen Rodenrijs, Berkel en Noordeinde aan de rand van, of soms tussen de plassen te liggen. De dorpen, dijken en polderkaden werden door het water bedreigd.

Eerste droogmakerijen[bewerken]

Eind achttiende eeuw werd de situatie in Berkel en Rodenrijs gevaarlijk. Het dorpsbestuur besloot daarom actie te ondernemen en de plassen droog te leggen. De windmolen was hierbij een onmisbaar hulpmiddel. Zeven nieuwe molens kwamen in bedrijf. Als eerst werden de Noordpolder, de Westpolder en de Zuidpolder drooggelegd (1774-1777). De drooggevallen bodem van de plassen werd vervolgens opnieuw ingedeeld. De oude, soms onregelmatige verkaveling werd vervangen door strakke rechthoekige kavels. De vruchtbare grond in de droogmakerijen bracht een periode van grote bloei voor de boeren.

Nieuwe plassen en droogmakerijen

Tegelijk met de droogmaking van de NoordpolderWestpolder en Zuidpolder ontstonden door de voortgaande vervening aan de westzijde van de Rodenrijse- en Noordeindseweg nieuwe plassen. Die verveningen vonden vanuit verschillende wegen tegelijk plaats en bovendien vanuit de oevers van het Westmeer en het Oostmeer, maar ze hielden halt aan de rand van enkele kleiplateaus. Kleigrond is in tegenstelling tot veen ongeschikt als brandstof. Het Oude Land en de Kleihoogt vormden grillige schiereilanden, omgeven door een verbrokkeld patroon van kleine plassen. In de negentiende eeuw werden in tien jaar tijd de laatste veenplassen drooggemalen: de Nieuwe Rodenrijse Droogmakerij (1844-1848), de Oostmeerpolder (1848), de Bergboezem (1854) en de Polder Oude Leede (1855). Hierbij deden stoomgemalen dienst. Doordat de plassen verbrokkeld en grillig waren, vertonen deze nieuwe droogmakerijen niet zo’n regelmatig verkavelingspatroon als de oude droogmakerijen. Iedere droogmaking kreeg eigen ontsluitingswegen.

Groente en fruit

In de grote steden groeide intussen de behoefte aan tuinbouwproducten. Rond 1880 kwam de verbouw daarvan op gang. Gunstige factoren hiervoor waren de vruchtbare bodem, een goede infrastructuur (vaarwater) en de nabijheid van afzetmarkten. Vanwege de belangrijke vervoersfunctie vestigden de tuinders zich aan de vaarten langs de Rodenrijse-, Noordeinde- en Klapwijkseweg. Na 1900 trad een aanzienlijke professionalisering op. Door de productie te vergroten kon beter worden ingespeeld op de vraag. Wat als koudegrondteelt was begonnen ontwikkelde zich tot teelt onder platglas en in koude kassen. Vanaf de jaren twintig van de 20e eeuw werd gebruikgemaakt van warenhuizen, die in toenemende mate kunstmatig verwarmd werden. Door de groeiende tuinbouw vestigden zich hier tussen 1890-1910 arbeiders vanuit de Zuid-Hollandse eilandenNoord-Brabant en Utrecht. Vooral langs de Zuidersingel werden kleine complexen eenvoudige arbeiderswoningen gebouwd. In Rodenrijs werd bij het station een groenteveiling met haven gevestigd, tuinbouwproducten werden aangevoerd per boot en afgevoerd per trein.

Begin van de suburbanisatie

Met de aanleg van de Hofplein-spoorlijn (waarop nu RandstadRailmetrolijn E wordt geëxploiteerd) in 1908 verscheen ook de eerste verstedelijking in de regio. Stedelingen werden door het spoor gestimuleerd om zich in de omliggende dorpen te vestigen, en dan vooral rond de nieuwe stations en bij de bestaande dorpskernen. In Berkel en Rodenrijs bleef nieuwe bebouwing beperkt tot de omgeving van station Rodenrijs. Een eerste wat grootschaliger uitbreiding vond plaats in de jaren twintig langs de Rodenrijseweg, met een reeks vrijstaande en geschakelde middenstandswoningen.